|
|
Kroniek van de Gidsenbond (1)
Startsein voor de Gidsenbond (1924-1925) Toerisme hangt nauw samen met vrijetijdsbesteding en was derhalve in de 19de eeuw exclusief het voorrecht van de gegoede klasse. Voor de massa der arbeiders en bedienden was er van vrije tijd en ontspanning geen sprake. Pas na de eerste wereldoorlog zullen een reeks sociale wetten een kentering teweegbrengen. In 1921 wordt in ons land de 48-urenweek ingevoerd, terwijl in 1936 de wet op het betaald verlof wordt goedgekeurd. De eerste vakantiehuizen, meestal bedoeld voor loontrekkenden, verschijnen in 1937 en het betaald verlof wordt gestadig langer om in 1975 vier weken te bereiken. Vanaf 1959 treedt de vijfdaagse werkweek in voege. De horizont die sinds eeuwen beperkt was gebleven tot de enge leef- en werkkring, wordt voor miljoenen mensen verruimd. Het reizen per trein, per autocar, per auto, per fiets, ontwikkelt zich tussen de twee wereldoorlogen stelselmatig. Zo krijgen de economisch zwakkere bevolkingslagen, vooral na 1945, toegang tot wat men sociaal toerisme gaat noemen. De moderne maatschappij stelt zo twee werelden tegenover elkaar, deze van de homo faber of de werkende mens en deze van de homo ludens of dezelfde mens in zijn vrije tijd. In West-Vlaanderen ontstaat na de eerste wereldoorlog het slagveldtoerisme. Niet alleen bedevaarders trekken naar het rampgebied waar velen een bloedverwant verloren, maar heuse groepen toeristen gewapend met camera's en onder leiding van gidsen verkennen de verwoeste gewesten tussen Nieuwpoort en Ieper. Stefan Zweig getuigt in 1928: Op de markt van Ieper ligt een autoparkeerplaats als voor een operagebouw. Elk uur storten de groene en gele en rode massa-auto s duizenden mensen in de stad, hele legers toeristen die met luid pratende gidsen de bezienswaardigheden tweehonderdduizend graven ! aangapen. Voor 10 Mark krijgt men alles, de hele oorlog van 4 jaar, de graven, de grote kanonnen, de stukgeschoten hallen, met lunch of diner. In de hotels speelt de muziek, de cafés zijn vol, de auto s razen op en neer, de kodaksluiters klikken. Een vroeg beeld van het veramerikaniseerde massatoerisme, noteert Karel Van Isacker erbij. Bij dit snel evoluerende fenomeen ontstaat vrij vroeg een behoefte aan onderlegde gidsen. Zo neemt in Brugge het Davidsfonds het voortouw en zijn afdeling Volksontwikkeling start in 1924 een eerste opleiding voor stadsgids. De cursus werd eerst wat protserig 'Leergang voor kunstvorming en kennis van de streek' gedoopt. Gezien de evidente katholieke signatuur van het Davidsfonds werd voornamelijk een beroep gedaan op een schare geestelijken naast enkele leken. Zij zullen tot aan het begin van de tweede wereldoorlog het lerarenkorps van de zogenoemde School der Gidsen vormen. Onder hen enkelen die de Gidsenbond tot bij hun overlijden met raad en daad zullen bijstaan, Paul Allossery en Michiel English. Er worden 101 cursisten ingeschreven, voor het merendeel behorend tot het onderwijzend personeel. Men kan er geredelijk van uitgaan dat zij beroepshalve gemotiveerd waren tot het volgen van dit nieuwe initiatief. Maar ook het aanlokkelijke uitzicht om bij slagen een jaartoelage van 100 F boven het salaris op te strijken zal meegespeeld hebben. De onderwijzer die zich als landmeter bijschoolde kreeg overigens hetzelfde toemaatje. De lessen gingen door in de lokalen van de Christen Werkliedenbond, Oudenburgstraat 19, in de volksmond de Gilde. De schriftelijke examens vonden plaats op 27 december 1925; de mondelinge op 15 en 16 januari 1926. Het is niet duidelijk of alle kandidaten de examens aflegden maar slechts 29 examinandi slaagden, allen leerkrachten. Bonte Polydoor, leraar Cafmeyer Magda, onderwijzeres Cafmeyer Martha, onderwijzeres De Bièvre Valère, leraar De Brabander Gustaaf, schoolhoofd D'Hoedt Florent, schoolhoofd Ducheyne Adolf, onderwijzer Ducheyne Gerard, onderwijzer Ducheyne Isidoor, onderwijzer, laureaat Hoste Rudolf, leraar Florin Jozef, onderwijzer Janssens Maurits, onderwijzer Knudde Louis, onderwijzer Lietaer Omer , onderwijzer Lingier Godfried, onderwijzer Meire Cesar, leraar Pollet Jules, leraar Poingnie Julien, onderwijzer Ramon Frans, onderwijzer Roose Albéric, onderwijzer Soete Angèle, onderwijzeres Tilleman Cyriel, schoolhoofd Van Cauwenberghe Alice, onderwijzeres Vanden Berghe Raymond, onderwijzer Vanden Bussche Herman, onderwijzer Vanheulenbrouck Evariste, onderwijzer Van Poucke Michel, leraar Van Poucke René, onderwijzer Verduyn Gerard, onderwijzer Zij ontvingen hun diploma op 2 februari 1926. De happy few die slaagden laten er geen gras over groeien. Reeds op 26 maart 1926 stichten zij de Vereniging van officieel gediplomeerde gidsen van Brugge. Op de stichtingsvergadering van die dag wordt een bestuur verkozen dat zich als volgt aandient: Voorzitter: Isidoor Ducheyne, onderwijzer, laureaat van de cursus Schrijver: Cesar Meire, leraar Schatbewaarster: Magda Cafmeyer, onderwijzeres Leden: Valère De Bièvre, leraar, Florent D'Hoedt schoolhoofd. De dynamische stichter-voorzitter zal het roer stevig in handen houden tot aan zijn overlijden in 1968, 42 jaar lang ! Het valt op dat de jonge vereniging uitsluitend door leerkrachten wordt geleid en dat zal vele jaren zo blijven. De functie van schatbewaarder zal bij de start een sinecure zijn geweest gezien het onbestaande beginkapitaal Alle kersverse gidsen behalve één zijn aanwezig op de eerste vergadering en zullen weldra uitgroeien tot een echte vriendenkring. |