|
|
Kroniek van de Gidsenbond (5)
Nieuwe start (1945-1960) In 1945 vormt Achiel Van Acker een regering van nationale eenheid terwijl in Jalta de kaart van Europa hertekend wordt. Hitler en Mussolini zijn dood. Op 8 mei lopen 5 jaar van angst en ontbering ten einde. Het leven herneemt zijn rechten. Er groeit nieuwe hoop bij een jeugd die heelhuids uit het cataclysme komt. De verwachtingen van de jonge generatie, die gedoemd leek om te versmachten in onvervulde dromen, zijn hooggespannen. De Gidsenbond hervat ook met enthousiasme zijn activiteiten die gedurende de oorlog noodgedwongen gebreideld werden. Opleidingscursussen volgen elkaar met korte tussenpozen op en kennen grote belangstelling. De wintervoordrachten zorgen voor een permanente bijscholing van degelijk niveau telkens in het najaar geopend door de gedreven wetenschappelijke medewerker Jos De Smet. Het ritme waarmee de zogenaamde Normaalleergang voor Kunstvorming en kennis van de streek wordt georganiseerd, beantwoordt aan de toegenomen belangstelling en geschiedt nog steeds onder de auspiciën van de Afdeling Volksontwikkeling van het Davidsfonds waarvan Isidoor Ducheyne eveneens bestuurder is. Het programma dat telkens voor goedkeuring moet voorgelegd worden aan het Ministerie van Nationale Opvoeding wordt geleidelijk aan bijgewerkt en aangepast aan nieuwe noden. Zo worden er begrippen van toponymie, volkskunde, fauna en flora, handel en nijverheid opgenomen, naast de obligate lessen over geschiedenis, aardrijkskunde en kunstgeschiedenis. Tot het naoorlogse lerarenkorps behoren J. Blontrock, directeur Dienst Toerisme, Ir J. Sioen, A. Viaene en apotheker P. Van De Vijvere. Het aantal cursisten bedraagt telkens ca. 100 geïnteresseerden en de meesten onder hen leggen de examens af zodat het gidsenbestand rond 1960 tot 230 aangroeit. Hierbij dient aangestipt dat om diverse redenen slechts een beperkt aantal onder hen effectief als stadsgids optreedt. In die dagen ging het bondsbestuur ervan uit dat de veelvuldige cursussen allereerst bedoeld waren als volksontwikkeling in de letterlijke zijn en in ondergeschikte orde om effectief rondleidingen te verzorgen. Ter illustratie een greep uit de naoorlogse statistiek die weergeeft dat Brugge steeds meer bezocht wordt en dat de rondleidingen door een kleine kern gidsen verzorgd worden. 1947: H. Bloedspel te Brugge - 250 rondleidingen ; 1948: 159 rondleidingen ; 1949: Tentoonstelling Gerard David - 286 rondleidingen ; 1950: 278 ; 1951: 435 ; 1952: 432 rondleidingen verzorgd door 26 gidsen ; 1953: 527 beurten voor 34 gidsen ; 1956: 777 beurten voor 42 gidsen. In 1959 wordt voor het eerst meer dan 1.000 gidsbeurten genoteerd: 1.118. De Dienst der Rondleidingen wordt verzorgd door een der bestuursleden Leon De Gheldere. Het bereiken van de gidsen is een klus daar de meerderheid nog niet over een telefoon beschikt. De gidsen worden aan huis bezocht of per briefkaart aangeschreven met alle moeilijkheden die gepaard gaan met deze gebrekkige communicatie. Dit verklaart voor een deel de discrepantie tussen het grote aantal gediplomeerden en het geringe aantal inzetbare gidsen. Nog in de zestiger jaren getuigt Raphaël Priem dat hij meerdere gidsen niet telefonisch kan bereiken en vaak uren rondfietste om de nodige gidsen op te trommelen doorheen Brugge, Sint-Andries, Assebroek en Sint-Pieters (Kontaktblad 3 - maart 1986). Vanaf 1958 vervangt Jozef Gevaert De Ghezaere als dispatcher. Hij doet alle verrichtingen van uit zijn eigen woning gezien nog lang geen sprake is van een secretariaat van de Gidsenbond. Na WO II zal de stad een belangrijke reeks tentoonstellingen organiseren waarbij de Gidsenbond van nabij betrokken wordt, hetzij om geleide bezoeken te verzorgen, hetzij om in het museum de permanentie te verzekeren. In 1949 wordt een tentoonstelling gewijd aan Gerard David. In 1956: Vlaamse kunst in Brits bezit. In 1958 Vlaamse kunst in Spaans bezit; 1960: De eeuw der Vlaamse Primitieven. Tussen deze grote topexpo s door komen nog minder prestigieuze initiatieven aan de beurt zoals in 1951 Drie Vlaamse meesters uit de 18de eeuw: Garemijn, Pulinx en Pepers ; Hedendaagse Vlaamse meesters uit de verzameling Van Gheluwe (1957), Schilderijen geschonken door de Vrienden der Musea (1959). Om het hoofd te bieden aan de steeds groeiende faam van Brugge als toeristische trekpleister zullen enkele belangrijke nieuw organismen op de voorgrond treden zoals de verdienstelijke Vrienden van de Stedelijke Musea en het in 1958 gesticht Comité voor Initiatief. Samen met de Gidsenbond zijn het belangrijke ondersteunende schakels geworden in de verbazende culturele ontplooiing van Brugge. Ondertussen wordt de eigen vereniging verder bestuurd door de oude getrouwen met enkele geringe functieverschuivingen. Zo wordt in 1947 Florin ondervoorzitter en geeft de bibliotheek door aan Van Heulenbrouck ; in 1950 houdt Bossier het beheer van de bondskas voor bekeken en Rafaël Priem, op dat ogenblik nog geen bestuurslid, wordt penningmeester; in 1951 wordt Priem opgenomen in de verruimde bestuursraad waarin Bossier later ontslag neemt ; in 1952 wordt de raad verder uitgebreid en op de statutaire vergadering van 31 mei treden Jozef Penninck, Hervé Stalpaert en Robert Arnou toe tot het bestuur; in 1953 noteert men het overlijden van de secretaris Jules Pollet, een van de stichters van de vereniging, die vervangen wordt door Rafaël Priem ; in 1954 neemt Juliaan Duprez ontslag en Jozef Gevaert wordt in het bestuur opgenomen ; in 1957 wordt Van Heulenbrouck als secretaris vervangen door Jozef Penninck. Zo zeilt het commandoschip zonder veel deining noch averij verder. Daar zal in de turbulente jaren zestig verandering in komen. |